Je baby krijgt voldoende melk wanneer:
- hij altijd mag drinken op vraag
- tijdens de voeding het ritme van het drinken verandert naarmate de melk vloeit en je hem kan horen slikken.
- hij levendig is, een goede spierspanning heeft en zijn huid een gezonde kleur heeft.
- hij rustig is tussen de voedingen. Het is mogelijk dat goed gevoede baby’s toch onrustig zijn, maar dit is dan om andere redenen (bijvoorbeeld te veel kraambezoek of krampen).
- hij regelmatig plast en de urine licht van kleur is. De eerste 2 dagen kan dit slechts éénmaal per dag zijn, maar rond de 3de of 4de dag zou hij tot minstens 3 à 4 keer per dag moeten plassen.
- hij groeit en er gezond uitziet. De eerste dagen kan de baby afvallen (tot -10% van zijn geboortegewicht). Rond de leeftijd van 14 dagen zou het geboortegewicht terug moeten bereikt zijn. De eerste weken moet er een gewichtstoename van minimum 150g per week moeten zijn.
- Je baby heeft de eerste dagen zwarte, kleverige stoelgang (meconium) die dan geleidelijk overgaat in overgangsstoelgang en uiteindelijk in borstvoedingsstoelgang (geel-groen pitjesachtige ontlasting). Dit zou zo op de 4de dag moeten zijn.
- Een baby die zich heel tevreden om de drie uur laat voeden kan opeens veel vaker per dag gevoed willen worden. Zo’n occasionele toename van het aantal voedingen is heel normaal. Zulke periodes worden ‘regeldagen’ of ‘groeispurt’ genoemd. Tijdens deze dagen heeft de moeder vaak het gevoel te weinig melk te hebben. Vaker voeden zorgt ervoor dat er meer melk
wordt aangemaakt, om in de toegenomen behoefte van de baby te voorzien. Stel je dus samen met je baby in op een paar ‘regeldagen’ zo nu en dan. - Tijdens de eerste 6 weken hebben baby’s de gewoonte om voedingen te ‘clusteren’. Dat wil zeggen dat ze enkele voedingen kort na elkaar nemen tot 1 lange voeding. Dat gebeurt vaak ’s avonds. Het is ongewoon voor baby’s in de eerste weken om al een regelmatig patroon aan te houden. Vaak slaapt je baby na zo’n lange voeding gedurende een langere periode.