Chemotherapie is een behandeling die bestaat uit het toedienen van één of meerdere geneesmiddelen (celremmende stoffen of cytostatica), meestal via een infuus of een poortkatheter.
De bedoeling van de behandeling is abnormale cellen te vernietigen of verdere groei ervan te beletten.
De beslissing om chemotherapie te geven wordt bepaald door veel factoren (leeftijd, grootte van het letsel, groeisnelheid, hormonale gevoeligheid, aantasting van de okselklieren, aanwezigheid van een onco-eiwit op de celwand, genprofiel van de tumor, …).
Meestal wordt chemotherapie na de ingreep gegeven (adjuvante setting). Bij bepaalde indicaties is het beter chemotherapie voor de ingreep te geven (neo-adjuvante setting). Hierdoor kunnen we de respons van de tumor op de chemotherapie volgen en kan bij sommige patiënten alsnog borstsparend worden geopereerd. Het chemotherapieschema wordt voor elke patiënt individueel aangepast.
Meestal worden de geneesmiddelen langs een poortkatheter toegediend. Een poortkatheter is een onderhuids kamertje waarlangs de chemotherapie gegeven wordt.
De belangrijkste nevenwerkingen van chemotherapie zijn vermoeidheid, misselijkheid, en bij sommige patiënten haarverlies. De bijwerkingen zijn bij iedereen verschillend.
Wanneer op de MOC beslist wordt dat je chemotherapie dient te krijgen, wordt een afspraak gemaakt bij een van de oncologen. Tijdens deze raadpleging krijg je meer uitleg over het schema en de te verwachten nevenwerkingen.
Voor de start van de chemotherapie vindt ook een raadpleging plaats bij de cardioloog, echocardiografie. De chemotherapie kan immers een effect kan hebben op de hartfunctie.