Bij een borstsparende ingreep wordt het verwijderde weefsel tijdens de ingreep in het labo onderzocht om na te gaan of de chirurg nog een bijkomend fragment weefsel moet wegnemen. De buitenzijde van het operatiespecimen wordt met inkt gekleurd. Zo kan de patholoog in het labo bij verder onderzoek de dagen na de ingreep nagaan of alle uitlopers van het kwaadaardig letsel zijn weggenomen. We spreken dan van vrije sectievlakken.
De fijne uitlopers van een kwaadaardig letsel en de precursor (in situ vorm) zijn voor de chirurg of patholoog niet voelbaar. Daarom is het altijd mogelijk dat het definitief weefselonderzoek toont dat er een uitloper tot in de rand of sectievlak zit en een nieuwe ingreep nodig is. Resultaten van de sectievlakken zijn meestal 6 dagen na de ingreep gekend en worden bij de bespreking van de nabehandeling overlopen.
Als er een uitloper of precursor vorm op 1 plaats tot in het sectievlak komt, kan worden beslist een bijkomend fragment weefsel (of recoupe) uit te voeren. Als in vele richtingen uitlopers tot in het sectie- of snijvlak zitten, is het soms nodig in tweede instantie een mastectomie (wegname van de volledige borst) te plannen.