Komt voor bij 1 op 1000 tot 1 op 100.000 verdovingen
Tijdens of na de ingreep kunnen er bloedklonters in de aders ontstaan. We spreken over een embolie wanneer deze klonters loskomen en verderop de bloedtoevoer blokkeren. Dit kan gevaarlijk zijn, vooral wanneer de bloedtoevoer naar de hersenen en de longen bemoeilijkt wordt. Ook vetpartikels kunnen de bloedbaan afsluiten (= vetembolie). Deze kunnen vrijkomen bij ingrepen op de grote beenderen (bijvoorbeeld bij heupoperaties). Er kan ook lucht aangezogen worden in een bloedvat en de bloedtoevoer blokkeren (= luchtembolie). Embolieën kunnen hartritmestoornissen, lage bloeddruk, kortademigheid, verminderd bewustzijn en tekenen van beroerte veroorzaken. Grote embolieën kunnen levensgevaarlijk zijn. Bij bepaalde ingrepen worden bloedverdunners toegediend om het risico op embolie te verminderen.