Het hart is een spier die werkt als een pomp. Door samen te knijpen stuwt het hart bloed door heel het lichaam. We kunnen het hart verdelen in een rechter- en linkerhelft. Iedere helft bestaat uit een voorkamer (of ‘atrium’ of ‘boezem’) en een kamer (of ‘ventrikel’). De linker- en rechterzijde zijn van elkaar gescheiden door een tussenschot. Ons hart bevat kleppen die het bloed in één juiste richting doen stromen. De bloedsomloop in het hart kunnen we beschrijven in twee fasen:
- Fase 1: De rechtervoorkamer ontvangt zuurstofarm bloed uit alle delen van het lichaam. Vanuit de rechtervoorkamer wordt het bloed naar de rechterkamer gepompt. Door samentrekking zal de rechterkamer het bloed via de longslagaders naar de longen pompen. In de longen neemt het bloed zuurstof op en geeft het koolzuur af.
- Fase 2: Het zuurstofrijke bloed stroomt langs de longaders via de linkervoorkamer naar de linkerkamer. De linkerkamer stuwt het bloed door de aorta naar de rest van ons lichaam.
De kransslagaders, die over het hart lopen, voorzien de hartspier van bloed. Ze zorgen ervoor dat het hart voldoende kracht heeft om samen te trekken. Zuurstof alleen is echter niet voldoende. Het hart wordt gestimuleerd door een elektrische prikkel. Die ontstaat in het hart zelf, namelijk in de sinusknoop die zich ter hoogte van de rechtervoorkamer bevindt. De sinusknoop is de natuurlijke pacemaker die alle samentrekkingen van het hart veroorzaakt en zorgt voor een regelmatige hartslag. De prikkel die bij de sinusknoop begint, wordt verder doorgegeven naar de AV-knoop, via de ‘bundel van His’ over heel de hartspier.
Wanneer er ter hoogte van de sinusknoop iets verkeerd loopt, of wanneer de geleiding van de sinusknoop naar de kamers vertraagd is, kan dit een reden zijn om een kunstmatige pacemaker te laten inplanten.